Slag Alphen

Nr. 44 Meervallen

Veel meervallen bij stuw en schutsluizen

De Landbouwuniversiteit Wageningen heeft tussen 2023 en 2025 onderzoek gedaan naar het gedrag van meervallen bij de stuw en schutsluizen tussen Lith en Alphen. Voor dat onderzoek werden meervallen gevangen en kregen ze een zender onder de huid. Zo kon hun gedrag in kaart worden gebracht. In het water voor de stuw bleken honderden kleinere meervallen voor te komen. Zo gauw de waterkrachtcentrale werd aangezet, trokken veel van deze meervallen weg uit het water achter de stuw naar het gebied achter de schutsluizen. Ze keerden weer terug zodra de waterkrachtcentrale werd uitgezet.
Uit maagonderzoek bleek dat de meervallen voor de stuw vooral Amerikaanse rivierkreeften en Pontische grondels aten. Dat is goed nieuw voor inheemse soorten, omdat deze soorten worden bedreigd door deze exotische nieuwkomers. Pontische grondels kwamen oorspronkelijk in Nederland niet voor. Het zijn exoten die uit het Zwarte Zeegebied komen. Via het Donau-Mainkanaal zijn ze in de Rijn gekomen en verder getrokken naar ons land. Deze bodemvis heeft zich de laatste jaren sterk uitgebreid en bedreigt de hier voorkomende inheemse bodemvissen als het bermpje en de riviergrondel.
Het aantal meervallen in Nederlandse wateren zal de komende jaren toenemen. De vrees bestaat dat deze meervallen ook trekvissen als paling, zalm en steur gaan wegvreten. De overheid en natuurorganisaties hebben zich de laatste jaren ingespannen om zalm en steur weer terug te plaatsen en om de teruggang van soorten als paling, fint, houting en rivierprik af te remmen. Door de vraatzucht van de meervallen zouden deze inspanningen weer teniet kunnen worden gedaan. De onderzoekers uit Wageningen vonden in de magen van de bij de stuw gevangen meervallen weinig trekvis, maar ze haasten zich om eraan toe te voegen, dat er in de onderzoeksperiode ook weinig trekvis voor de stuw bij Alphen te vinden was. Kortom het effect van meer meervallen op de aantallen trekvis moet nog verder onderzocht worden in de komende jaren.

Riviermonsters

De meest voorkomende meerval in Nederland is de Europese meerval. Deze meerval is de grootste roofvis die hier voorkomt. Deze soort kan wel 243 centimeter lang worden. Zo’n kanjer weegt dan 150 kilogram. Dit is de maximumvangst tot dusver in Nederland. In het buitenland zijn meervallen gevangen van wel vijf meter.

De Europese meerval heeft een grote bek met zes bekdraden: twee op de onderkaak, twee in de mondhoeken en twee op de bovenkaak. De kanaalmeerval, de Afrikaanse meerval en de dwergmeerval lijken op de Europese meerval maar zij hebben acht bekdraden. De rugkleur van de Europese meerval is zwart, bruin, tot donkergroen. De rugkleur van de meerval past zich aan de omgeving aan. De onderbuik is vuilwit en de flanken zijn vooral bij jonge meervallen gemarmerd. De huid van de meerval is bedekt met een dikke slijmlaag. Hun bek heeft geen tanden, maar de mondholte is bedekt met een ruwe laag. Hun bek voelt aan als schuurpapier. Daarmee grijpen ze hun prooi stevig vast en werken hem naar binnen.

Warmte minnende vissoort

De meervallen hier planten zich voort als de watertemperatuur stijgt tot minimaal achttien graden Celsius. In de periode mei-juni maakt het mannetje een nest in ondiep, plantenrijk water. Hij maakt een kuil op de bodem of duwt waterplanten plat. De mannelijke meerval leidt een vrouwtje met een volle buik eitjes naar zijn nest. Nadat het vrouwtje haar eitjes heeft afgezet loost het mannetje zijn zaadcellen (de hom) boven de eitjes. Het mannetje bewaakt het volle nest. Met zijn staart waaiert het meervalmannetje over de eieren, waardoor een waterstroom ontstaat die slibafzetting voorkomt en zuurstof aanvoert voor de zich ontwikkelende embryo’s. De eitjes komen na vijf tot zes dagen uit. Het dooierzakje, waaraan ze dan nog verbonden zitten, is weer zes dagen later leeg. De larven zijn nu een centimeter groot. Het zal nog vier tot vijf maanden duren voor ze een lengte van drie centimeter hebben bereikt. Ze houden zich schuil in donkere delen van het water in de plantenmassa. Deze jonge dieren voeden zich vooral met waterinsecten en kleine rivierkreeftjes.
Jonge meervallen leven vaak in groepen zoals hier bij de stuw. Hoe ouder en groter de meervallen worden, des te kleiner wordt de groep.

Jaagt in schemerdonker water

De meerval is geen zichtjager zoals de snoek. Zijn ogen zijn zelfs vrij klein. De meerval wordt vooral actief als de schemering valt. Het gebrek aan goede ogen wordt gecompenseerd door andere goed ontwikkelde zintuigen.
Zo hebben de meervallen een fijn ontwikkeld gehoororgaan. Meervallen hebben in hun bekdraden en op hun lichaam zo’n 250.000 smaakzintuigjes. Meervallen worden daarom ook wel zwemmende tongen genoemd. Ook hun reukvermogen is sterk ontwikkeld.
Zoals alle vissen hebben meervallen daarnaast een zijlijnorgaan. Via een lijn van poriën op hun flanken kan de meerval lage trillingen in het water opvangen. De beweging van prooidieren veroorzaakt trillingen in het water. De meerval vangt die trillingen op en weet het prooidier ermee te lokaliseren. Met dit echo-systeem navigeert de meerval ook door het water.
Een meerval heeft verder ook nog zintuigjes om elektrische velden mee waar te nemen. Elk dier in het water heeft zo’n elektrisch veld om zich heen. De meerval gebruikt deze elektro-sensoren ook om zijn prooi op te sporen.
Zijn matige ogen worden dus ruimschoots gecompenseerd door zijn andere zintuigen. Tegen de stroom in zwemmend, pikt de meerval signalen van zijn prooi op en gaat er doelgericht op af.
De prooi van volwassen meervallen bestaat vooral uit vissen en volwassen rivierkreeften, maar ook kikkers en watervogels als eenden en meerkoeten verdwijnen in hun grote bek. Een onvoorzichtige duif op een tak boven het water kan zelfs zijn slachtoffer worden.
Jonge meervallen worden gegeten door andere roofvissen en visetende vogels als aalscholver en visdiefje. Volwassen meervallen hebben geen natuurlijke vijanden meer. Ze staan aan de top van de voedselpiramide in het water en ze zijn te groot voor andere roofvissen of vogels.

Inheemse soort

De Europese meerval kwam oorspronkelijk voor in Midden- en Oost-Europa tot aan de Kaspische Zee. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat deze soort in vroegere tijden ook al in Nederland voorkwam en door vroege bewoners van ons land werd gegeten. Door een kouder klimaat zijn de aantallen in het verleden sterk teruggelopen. Tot de jaren ‘50 van de vorige eeuw kwam in ons land de Europese meerval alleen voor in het Haarlemmermeergebied. Ook in de Westeinderplassen bij Aalsmeer kwam een restpopulatie voor. Daar kwam na 1950 verandering in. De Europese meerval werd inmiddels gekweekt in viskwekerijen en hieruit ontsnapten meervallen. In de bovenloop van de Maas en Rijn werden meervallen uitgezet die met de stroom ook in Nederland terecht kwamen.
De meerval tref je nu aan in onze rivieren, grote meren en in het brakwatergebied van onze kustwateren. In zout water overleeft de meerval niet. De Europese meerval is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Voor deze warmte-minnende soort is de gestegen temperatuur van het water zeker een voordeel.
Door het toegenomen aantal meervallen mogen sinds 2012 sportvissers weer vissen op de Europese meerval; wel moet deze vis verplicht worden teruggezet.

Copyright © 2025 Werkgroep Biodiversiteit SLAG
Tekening © Jan Glas, Johan Bergsma e.a., foto’s Ravon, Meerbode

Scroll naar boven